zaterdag 6 december 2008
Een schrijnend gebrek aan kennis van de basis van het Nederlands maakt communiceren onmogelijk
Onlangs kocht ik iets op de markt bij een kraam, die op dat moment werd beheerd door een vrouw alleen. Van haar kocht ik twee artikelen van 75 cent per stuk. Ik stak haar een euro en vijftig cent toe, maar die werd niet direct aangenomen. De vrouw ging aan het andere einde van de kraam op zoek naar een elektronisch rekenapparaat, dat ze aanzette en twee keer het getal 75 intikte. Het zal zelfs de meeste kinderen van de basisschool niet zoveel moeite kosten om met het bedrag van één euro vijftig voor de dag te komen, ook zonder die elektronische ondersteuning. Maar deze nog niet echt middelbare dame keek verbaasd èn enigszins wantrouwend tegen het bedrag aan en liet het machientje daarom nog maar eens rekenen. Daarna liet ze zich overtuigen en nam de euro en het de halve euro van mij aan. Hoewel ik zoiets subjectief niet echt heel erg vind, heb ik er objectief gezien flink wat moeite mee. Iemand die zoiets basaals zelfs met een rekenmachine nog te moeilijk vindt, hoort eenvoudigweg niet bij een marktkraam, ook al valt daar niets tegen te doen door bij voorbeeld overheidsingrijpen. En zolang de klanten van die bewuste kraam dat accepteren dan wel tolereren, is overheidsingrijpen geen vereiste.
Totaal onbegrip
Doch dat onvermogen tot rekenen van een lagere school-som was niet het ergste. Toen ze zag dat ik de verpakking van een soepproduct afzocht naar een lijst met ingrediënten, kwam er een met zeer veel moeite nog net verstaanbaar begrip uit haar mond: "Soaoepi" of iets soortgelijks. Toen ik zag dat er ingrediënten in de lijst voorkwamen die ik, vanwege een extreme vorm van voedselintolerantie, volstrekt moet mijden, legde ik het pakje weer weg.
Toen begon een korte, maar onaanvaardbare lijdensweg.
"Nee," riep ze. "Waatttur bai".
Ik schudde mijn hoofd, maar ze onderbrak — "Neeee, wáááturrr" — en trachtte het eerst met Nederlandse woorden, doch dat haalde niets uit; vervolgens met aanwijzingen in de richting van ernstige jeuk en tenslotte met een enorm stuk ademnood, doch ook dat alles werd overvleugeld.
"Nee," riep ze weer, terwijl ze mij het pakje toestak. "Waatttur bai."
Nog enige keren heb ik hoofdschuddend getracht haar te doordringen van het feit dat ik wel begreep dat het om instant groentesoep ging, maar dat sommige ingrediënten absoluut niet mochten, doch het mocht niet baten. Ze bleef maar "Nee" en "Waatttur bai" roepen.
Nederlands leren of wegblijven van de markt
Zo iemand hoort, zonder primaire kennis van onze taal, niet bij een kraam op de markt, aangezien communiceren niet mogelijk is. En omdat zoiets nu eenmaal een eerste vereiste is in een relatie tussen cliënt en verkopende partij, dient zo'n mevrouw dwingend te worden opgelegd een intensieve, met enige handelskennis aangevulde, cursus Nederlands te volgen, dan wel moeten de daartoe aangewezen instanties ervoor zorgen dat zo iemand niet de mogelijkheid krijgt om, zonder enige begeleidende opvang, haar onmogelijkheid tot communicatie zo schrijnend aan de dag te leggen.
vrijdag 28 november 2008
Voortschrijdende taalverloedering bij steeds meer regionale en landelijke televisiepresentatoren
2. "We hebben gesproken met de gemeente Tilburg. En die hebben . . ."
3. "De stad telt minder werkelozen dan twee jaar geleden . . ."
4. "Een aantal mensen hebben . . ."
5. "De brandweer rukte uit met groot materiaal."
Hierboven staan vijf zinnen foutief Nederlands. Toch worden ze alle bijna dagelijks uitgesproken, — of vormvarianten daarvan — door tal van televisiepresentatoren van Groningen tot Maastricht, en niet te vergeten door die van het NOS Journaal en diverse actualiteitenrubrieken.
Niet één van de bovenaan afgedrukte zinnen kan, hoe je het ook wendt of keert, als mogelijk juist worden aangemerkt, aangezien direct blijkt dat op geen enkele manier in een eventuele aanvulling van al die zinnen de fouten daarin zou (kunnen) opheffen.
Een kleine uitzondering zou men voor de derde regel kunnen hebben, ware het niet dat deze in de context van het fenomeen werkloosheid werd uitgesproken. En er is nu eenmaal een wereld van verschil, danks die éne klinker, tussen werkloosheid en werkeloosheid. In het eerste geval gaat het over (mensen die) zonder werk in de zin van een baan of vrijwilligershandelingen zijn, de tweede categorie bestaat uit mensen die zitten, lopen of liggen te niksen, die worden gekenmerkt door het uitblijven van enige vorm van handelingen.
"De stad telt minder werklozen dan twee jaar geleden."
De eerste zin heeft in het voorbeeld twee onderwerpen: kleedkamers en die; dat kan echter niet, en derhalve met het tweede worden geschrapt. — "De kleedkamers zijn koud en nat."
In de tweede zin staat het lijdend voorwerp gemeente, dat in de toevoeging onderwerp wordt, maar niet plotseling als een meervoud kan worden gebruikt, en derhalve moet daars staan: HEEFT. ". . . en die heeft . . ."
De vierde zin heeft een enkelvoud als onderwerp, en wat daar nog eventueel achteraan komt, is niet van belang, dus: HEEFT. "Een aantal mensen heeft . . ."
(Dit is de meest vorkomende fout in presentaties van onderwerpen in journaals en programma's met actualiteiten, door personen die een quiz presenteren of lieden die anderszins de kijker toespreken.)
Als de vijfde zin wordt uitgesproken, blijkt dat degene die dat doet, niet op de hoogte is — althans niet in de direct-bewuste laag — van het verschil tussen materiaal en materieel.
Misschien dat de brandweer wel heel veel verschillende materialen meebrengt, maar uitrukken doet deze hulpdienst nu eenmaal met groot materieel.
vrijdag 21 november 2008
Onzinnig Gronings bij een bakker op de etalageruit
Onlangs stak ik een straat over en kwam ik terecht voor de etalage van een bekend Gronings bakkersbedrijf met filialen, verspreid over de Stad. Aan de binnenzijde van de etalageruit was een nogal grote, okergele reclamekaart bevestigd met het opschrift
Het is bedroevend dat je steeds opnieuw moet vaststellen dat teveel mensen in de Stad of op het platteland — die kennelijk niet met het dialect zijn opgegroeid, of hiervan nooit in geschrift of druk hebben kennisgenomen — maar lukraak wat neerkalken. In plaats van bij de eigen bakplaat te blijven en de reclametekst aan een kenner over te laten, dan wel maar gewoon in het Nederlands te stellen, blijkt dat de verantwoordelijke binnen die zaak door te weinig ambitie, dan wel als gevolg van een Jantje van Leiden op bezoek bij Tante Betje-sfeer, er niets van gebakken heeft.
Wat daar in het Gronings had moeten staan, is:
En dat is toch heel andere koek.
Als men al iets niet weet of twijfelt aan de juiste vorm, is het beter iemand te benaderen, die binnen een minuut het juiste antwoord kan geven. Evenals een schrijver in het westen, die lang in onze provincie heeft gewoond en daarover een roman heeft geschreven vol foutief (niet eens) Gronings, had deze bakker even de moeite moeten nemen met het Nedersaksisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen contact op te nemen, omdat men daar wel weet hoe het moet. Hoewel één en ander bij TV Noord slordig wordt behandeld, of helemaal niet, zou zelfs een telefoontje naar dat instituut, met het verzoek om het telefoonnummer van Fré Schreiber, met succes bekroond kunnen zijn. Fré Schreiber is de man die zorgt voor alle teksten van de rubriek Grunnegers — dagelijks vanaf circa 18:55 uur tot de volgende ochtend 06:00 uur, steeds kort voor het hele uur, op TV Noord gepresenteerd door Olaf Vos —, en met diens kundige hulp was het domme bakkertje eventueel binnen luttele minuten beslist de precieze samenstelling te weten gekomen — als van een recept voor het juiste deeg in de juiste vorm, zeg maar.
Nu heeft de bakker alleen wat waardeloos — want nodeloos, nutteloos en zinloos — karton op de ramen van zijn winkels geplakt.
maandag 3 november 2008
Alice Nahon — Taal
T A A L
Buiten mijn moedertaal
en die der nachtegalen
wist ik naar diepen zin
geen klare talen
en vaak heb ik bedroefd
naar 't wonder boek gekeken
waarin geschreven stond
wat andere landen schreven
Toen deedde stad ban leed
voor mij heur poorten open;
ze leerde mij 't geheim
van wanhoop en van hopen;
daar hing te spreken veel
aan ogen en aan monden
waarvoor men hier beneen
geen taal heeft uitgevonden.
Leven is hoogeschool
voor nieuwe en doode talen.
Die lang mag leerling zijn
in heur rumoeren zalen,
die kan uit kolken roes
van juichen en van smeeken
redden het ijl relaas
waarin de zielen spreken.
ALICE NAHON (1896-1933)
Uit: Schaduw (1928)
donderdag 4 september 2008
Wat een Rijksinstituut ons onbedoeld aanreikt door reiken — ook onbedoeld — te verwarren met rijken
"Rijken en grijpen bij te vroeg geboren kinderen"
"Te vroeg geboren kinderen doen er langer over dan voldragen kinderen om zich de visuomotorische handelingen van rijken en grijpen eigen te maken. Ook doen ze het vaak op een andere manier. Rijken en grijpen vormen de basis van vele andere handelingen, zoals schrijven en veters strikken.". . . . .
De tekst in de bovenstaande alinea stond in een persbericht van de Rijksuniversiteit Groningen van gisteren, dinsdag 3 september.
Reik niet naar mij, gij ongevulde handen, denk ik dan spontaan.
Nou is juist spellen een heikele kwestie, die niet in de beginjaren van de eenentwintigste eeuw plotsklaps is opgedoken, evenmin als zoveel andere taalgruwelen die dag in, dag uit over ons worden uitgestort door journaallezers en spelleiders, alsmede door andere veelpraters op de buis. Wat daarbij echter opvalt, is het schrijnend hoge tempo waarmee deze symptomen een besmettelijkheidsniveau blijken te ontwikkelen dat ons rechtvaardigt om van een epidemie te spreken.
Dat deze ijdele lieden allang niet meer het verschil kennen tussen werklozen en werkelozen, ook niet het onderscheid kunnen maken tussen materiaal en materieel, en evenmin tussen schijnbaar en blijkbaar, is — hoewel ook niet bepaald nieuw — symptomatisch voor een in ijltempo degenererend niveau van taalkennis, taalbegrip en taalbeheersing.
Reeds op de lagere school, in de derde klas, werden er in mijn jonge leerjaren flink wat lesuren besteed aan de verschillen tussen D, T, en DT, alsmede aan dat tussen EI en IJ.
En met dat laatste onderscheid zijn we aangeland bij de fout in het Persbericht. Wellicht dat het begrip Rijksuniversiteit hier een rol heeft gespeeld, en anders eventualiter de zeer snel voortschrijdende hoeveelheid rijken op deze aardbol, die deze status veelal hebben verworven door niet alleen in tal van situaties, geboden dan wel gesignaleerde, kansen te grijpen.
Terzijde: veters
Overigens, veters strikken. Is het de geleerde(n) in kwestie bekend dat hele volksstammen niet in staat zijn een smoking- of rokdasje te strikken, ondanks het feit dat dit op dezelfde manier gaat als het strikken van een veter, hetgeen al die studenten en andere dragers van de vlinderstrik weer wel blijken te kunnen. Nou ja, bijna allen.
Taaldwaasheid in de Volkskrant van heden
Deze dwaze zin kon men hedenochtend in de onlne-versie van de Volkskrant lezen. "Hoezo dwaas?" zal menigeen vragen, vooral als men de zin van deze onzin-zin begrijpt. Wat er staat, is echter per definitie niet in juist Nederlands gesteld, zelfs als de NMa de tarieven zou hebben vastgesteld, aangezien het woord omdat in ieder geval misplaatst is. Doch het geheel van wat deze aaneenschakeling van woorden wil uitdrukken, is iets volstrekt anders. Juist zou zijn:
"Consumenten en bedrijven in Nederland betalen al jarenlang te veel voor hun gas en elektriciteit. Dat komt doordat de energiebedrijven te hoge tarieven hebben vastgesteld. Dit is aan het licht gekomen na een onderzoek door toezichthouder NMa." Of iets van dezelfde strekking.
_________
NMa: Nederlandse Mededingingsautoriteit.
dinsdag 2 september 2008
Tien voor taal vanaf 3 september weer op de buis.
Vanaf woensdag 3 september, tussen 21:20 uur en 22:00 uur, zendt de KRO via Nederland 2 weer afleveringen uit van het programma Tien voor taal. Het gebeuren wordt omschreven als een "taalstrijd op niveau tussen Nederland en Vlaanderen". Het ware beter geweest de omschrijving Nederlanders en Vlamingen te gebruiken, aangezien er geen sprake is van één of andere door (een) staatsoverhe(i)d(en) geïnitieerde tweekamp die voor de beide betreffende gebieden van het Nederlands dient te worden uitgevochten.
Het programma is ooit onderscheiden vanwege de kwaliteiten op taalkundig gebied, hetgeen in principe positieve invloed zou kunnen hebben op de kijkers. Dat bij de berichtgeving over die prijs indertijd nadrukkelijk werd gesteld dat deze onderscheiding zich niet uitstrekte tot de beide presentatoren: Anita Witzier, die het programma al sedert 1996 voor de betreffende zendgemachtigde 'presenteert', en de Belg Marcel Vanthilt, die in alle programma's waaraan hij zichtbaar en hoorbaar meewerkt, blijk geeft van een verregaand taalonvermogen. Het was een kleine pleister op de grote wonde toen we dat lazen, al vinden wij dat deze beide kletskoppen en taalonnozelaars nimmer voor zo'n programma hadden mogen worden ingezet. Anita Witzier is in de voetsporen van haar vader gestapt: hij was begrafenisondernemer ten faveure van wijlen de dode lijken van overleden mensen zaliger. Dochterlief daarentegen doet er alles aan om ons Nederlands steeds maar weer ten grave te dragen. Een citaat uit haar koker luidt: "Ik dacht onlangs: hé, ik ben al heel lang lekker oké." Als u dat gruwelijks heeft gelezen, is er geen twijfel meer mogelijk: dat is blatend gegakker van een kakelgeitje, cat u nimmer meer hoeft te horen, te zien of te lezen.
Slechte voorbeelden
Overigens maakte ook voorganger Jan Gerrit Bob Arend Leverman (1943-2006) — vast en zeker beter bekend onder de artiestennaam Robert Long — er indertijd reeds een pijnlijk potje van en sprak hij de spelers — die geen kandidaten zijn maar deelnemers — toe alsof dezen voor de helft tot negen tienden imbeciele kleuters waren.
Derhalve hier en nu aan u het advies: kijk en luister tot lering en vermaak naar de inhoud van die uitzendingen, maar probeer het pijnlijk domme gesnater van Anita Witzier en het gereutel van Marcel Vanthilt buiten uw grijze cellen te houden. Zij beiden zouden moeten worden verbannen naar een Paasvuureiland om aldaar hun pijnlijke gebrek aan taalbegrip en taalbeheersing op de bodem, de wolken en de golven los te laten, aangezien die immuun zijn voor een eventuele besmetting.